La Grande Famille

On est ensemble! Het is een vaak gehoorde uitroep in de Casamance in het zuiden van Senegal: we zijn familie, we helpen elkaar! Het geeft een warm gevoel, een diepmenselijk gevoel van ‘samen sterk’. L’union fait la force.
In Europa hebben we dat groepsgevoel door de jaren heen losgelaten. Individuele ontwikkeling werd belangrijker. ‘It takes a village to raise a child’ is niet langer een vanzelfsprekendheid.
Daar ondervinden we nu de nadelen van en bij ons zoekt de slinger voorzichtig zijn weg terug naar de andere kant. De zoektocht naar meer verbinding is in opmars. Daarbij nemen we graag een voorbeeld aan het Afrikaanse ubuntu: ‘ik ben omdat wij zijn’.  

Hoe mooi die levenswijze ook is, toch zit er ook aan dat sterke groepsgevoel een keerzijde. Een keerzijde van doorgeslagen sociale druk, van jaloezie en elkaar klein houden.  
In het dorp in de Casamance waar ik enkele maanden per jaar verblijf, zie ik al te vaak gebeuren hoe de verplichting vanuit de groep het individu klein krijgt en houdt. Zo is er het verhaal van de bewaker die bij een Europeaan werkt en zijn droom om een eigen stuk grond te kopen niet kan realiseren omdat hij als grootste verdiener alle dichte en verre familie moet onderhouden. Of het verhaal van de ondernemende handelaar in voedingswaren die door de jaloezie van de clan niet de prijzen kan vragen die hij nodig heeft om winst te maken en te groeien. Zo is er ook het verhaal van de jongen die goed studeerde en huisarts werd. Bij zijn terugkeer naar het dorp werd hij verplicht om iedereen van de clan gratis te verzorgen. Hoe dat afloopt, lees je in ‘La Grande Famille’, fictie op ware gebeurtenissen gebaseerd.

 

La Grande Famille

1

De dokter van het dorp, een man van het volk van de Diola – laat ik hem T noemen, van Theodore – is vertrokken. Heel plots, met de noorderzon, verliet hij het dorp waar hij werd geboren, waar hij opgroeide, trouwde en kinderen kreeg. Een leeg dokterskabinet en een hele rits vragen liet hij achter. Sommige antwoorden liggen voor de hand, zoals ‘gisteren’ en ‘naar het noorden’, maar naar andere blijft het een dag na zijn vertrek nog altijd gissen.
Lang zal het kabinet niet leeg staan. Het is een interessante ruimte, twee kamers met op het erf aan de straatkant een flamboyant waarin één keer per jaar een vuur van rode bloemen ontsteekt. Gegadigden genoeg om er een nieuwe zaak te starten. Een kruidenierszaak, een restaurant of een kledingzaak, die in dit dorp allemaal worden gerund door mannen van het volk van de Peul. Zij komen van elders, sommigen van ver, van over de landsgrenzen. Ze strijken hier neer met vrouw en kinderen en verkopen hun waren met voldoende winst om van te leven. Ze drijven handel in kleding, want de mensen van hier, van het volk van de Diola, kleden zich graag mooi. Of ze verkopen voedingswaren, want de mensen van hier eten graag stevig, rijst met saus en een stuk vis, of vlees als dat er is. Daar geven ze met plezier hun geld aan uit.
Aan de dokter niet. Aan hem geven ze hun geld niet uit. Niet dat ze nooit ziek worden, want dat doen ze wel degelijk.

Nu, op dit eigenste moment, staat er een patiënt voor de deur van het kabinet van dokter T. Het is Ousmane, een neef van de dokter. Hij heeft een akelig ontstoken, rafelige wonde aan zijn been die tot op het bot gaat. Hij leunt zwaar op de arm van een tweede man, zijn gezel.
‘Help me, alsjeblieft!’ jammert Ousmane. De gezel klopt tevergeefs op de deur van het kabinet.
‘Theodore!’ roept hij, een naam met de ouderwetse klank van fatsoen en rechtschapenheid.
Hebben ze het nieuws dan nog niet gehoord, denkt de eigenaar van het groentekraam aan de andere kant van het erf. ‘De dokter is vertrokken!’ roept hij.
‘Wanneer komt hij terug?’ vraagt de gezel.
Nooit meer, zo wordt gezegd. Zijn huis is leeg, zijn vrouw en kinderen zijn weg.
Wat moet er dan met de zieken gebeuren, met Ousmane en zijn gehavende been?
‘Hij heeft er met zijn machete in gehakt toen hij zijn veld wilde ontbossen,’ legt de gezel van Ousmane uit aan de man van het groentekraam.
‘Ik ga dood,’ kermt Ousmane intussen. In zijn stem heeft de wanhoop plaatsgemaakt voor berusting. Zo is het leven, geluk en verdriet, voorspoed en tegenspoed. Het komt erop aan dat te leren aanvaarden.
‘Vanmiddag komt het dorp samen bij de kapokboom,’ zegt de man van het groentekraam. ‘De wijzen zullen het vertrek van de dokter bespreken. Kom ook.’
Ousmane kreunt en valt voorover, met zijn gezicht in het zand.

 

2

Die middag heerst er grote opwinding op het plein bij de kapokboom. Mannen en vrouwen, kinderen en jongeren, iedereen heeft zich verzameld.
Vanaf mijn plek aan de zijkant kijk ik naar de mensen die ik lang niet heb gezien, mensen van het volk van de Diola, dichte en verre familie. Ik herken ze allemaal. Mijn tantes en nichten, al die mooie, trotse vrouwen. Het kind in mij verlangt naar hun armen, hun warme boezems. Te lang was ik alleen, te lang leefde ik zonder herinnering aan wie ik was, wie ik ben. Ze hebben me nog niet gezien. Ze praten over dokter T en wat hij hen aandeed.
‘Laatst was mijn man nog bij Theodore,’ zegt de vrouw die het dichtst bij me staat. Het is tata Charlotte, een van de halfzussen van mijn moeder.
‘Gaat het intussen beter met hem?’ vraagt haar buurvrouw. Aan haar toon meen ik te horen dat ze precies weet waarvoor de man van tata op consultatie ging bij Theodore, dat ze ook precies weet hoe het komt dat de rechterhelft van zijn gezicht op een dag als een leeggelopen ballon aan zijn kruin hing. Het verdict is het hele dorp rond gegaan, als luid gefluister achter de hand: zie je wat ervan komt als iemand de coutume – de voorouderlijke tradities en gewoontes – niet respecteert?
‘Theodore zei dat mijn man kauwgum nodig had om zijn gezicht te herstellen, en dure pillen,’ zegt tata Charlotte bozig, ‘en toen vroeg hij tienduizend CFA.’
Ik denk snel even na over wat tata zegt en kom tot de conclusie dat het een aangezichtsverlamming moet geweest zijn, door een ontsteking van de zenuw. Kauwgum en ontstekingsremmers zijn precies wat de man van tata nodig had.
‘Tienduizend? Voor kauwgum?’ sneert de buurvrouw.
‘Die hebben we natuurlijk niet betaald, want Theo en mijn man zijn broers, zelfde moeder, andere vader,’ zegt tata.
‘Mijn man en Theo zijn geen broers, maar neven, en wij betalen ook nooit tienduizend.’
Ik luister naar het gesprek en bijt op mijn tanden.
‘Theodore had moeite om het schoolgeld van zijn kinderen te betalen, tata Charlotte!’ Hoe hard ik ook bijt, ik kan de woorden niet tegenhouden. Ze stromen luid uit mijn mond en de twee vrouwen draaien zich als één groot, tweekoppig lichaam naar me om.
‘Aby!’ roept tata Charlotte uit. Ze gooit haar armen in de lucht.
‘Ben jij de dochter van Papis en Fatou die naar Dakar ging om verpleegster te worden?’ zegt de buurvrouw. Ze bekijkt me van top tot teen.
‘Je bent terug! Aby!’ Tata Charlotte wappert met haar handen. ‘Haar moeder is mijn zus, andere vader, zelfde moeder. En haar vader is …’
Dan zie ik het gebeuren in hun ogen. Ze denken aan alles wat mij met hen verbindt, ze denken aan la grande famille en er gaat hen een licht op.
‘Jíj kunt ons vanaf nu verzorgen,’ roepen ze tegelijkertijd. Joelend trekken ze me naar het midden van de aangroeiende cirkel dorpelingen. Triomfantelijk steken ze mijn hand in de lucht en eisen stilte, want ze hebben de oplossing voor het vertrek van dokter T.
‘Deze prachtige vrouw, deze mooie Aby, dochter van Papis en Fatou, gaat Theodore vervangen, zij gaat ons verzorgen als we ziek zijn,’ roepen ze en ik voel hun handen en hun woorden die aan me trekken.
Nee, denk ik, nee, en op hetzelfde moment weet ik dat ik mijn dorp, dit dorp waar ik van hou, deze mensen van wie ik hou, zal moeten verlaten, net als dokter T de noorderzon achterna.