Geven en nemen

De zon is nog niet op in het bos van Goumel en de lucht is witgrijs en heerlijk koel. Diep in- en uitademend loop ik over het zandpad, langs breed uitwaaierende, kromgroeiende bomen, langs veldjes, een voorschoot groot, vol zachtgroene zaailingen van zoete aardappelen en pindanoten. Ik laat me uitzakken, weg van de groep, weg van het geroezemoes.   
Het bezoek aan het dorp van de Peul, een nomadenvolk dat soms twee, drie jaar onderweg is om dan weer een tijdje neer te strijken op deze plek, geeft me een dubbel gevoel. Als voyeurs zullen we in colonne tussen de woningen lopen, met getrokken apparaten vastleggen wat ánders en vreemd is. Landschap, mens en dier. Sommigen zullen het doen met flair, zij beheersen de kunst om met een vanzelfsprekend naturel overal binnen te kijken, op, onder, in te kijken, hun neus in andermans zaken te steken. Die flair bezit ik niet, schroom daarentegen, in hoge mate. Schroom die ik niet kwijtraak.

Ik denk aan een ander bezoek, in een ander land. Met een gelegenheidsgroepje wilden we tijdens een reis door Namibië de Himba bezoeken, een volk dat leeft volgens eeuwenoude tradities. Ik zei dat ik niet meeging. Ik wilde geen Himba bezoeken, bezichtigen, fotograferen. Er werd aan me getrokken en op me in gepraat, en toen een Nederlandse vrouw me toonde wat ze bij zich had – een polaroidcamera – ging ik overstag.
Geven en nemen, daar kon ik me in vinden. De Himba waren blij met de zakken bloem die onze gids onderweg had gekocht en nog blijer met de polaroidfoto’s die uitgebreid werden bekeken en becommentarieerd. Het was een memorabel bezoek. En toch.

Nu is het weer zover, aan het eind van dit pad wacht het nomadenvolk. ‘Na het bezoek stallen ze hun waren uit,’ had de gids gisterenavond gezegd. Souvenirs, tien keer te duur, waarmee de kijklust kan worden afgekocht. Wil ik dat?
De groep zal me niet missen, ze… Uit de struiken komt een vreemd geluid. Soppend, krakend, grommend. Het lijkt of iets, of iemand gulzig, met veel gesmak en gekreun een maaltijd weg kraakt. Ik blijf staan. De rest van de groep is achter de bocht verdwenen, uit het zicht, maar wat kan er mij gebeuren? Ik besluit dat een paar stappen weg van het zandpad in de richting van het geluid, geen kwaad kunnen. Nog voor ik zie wat er aan de hand is, slaat de geur me vol in het gezicht. Ik bedek mijn neus en zet meteen een stap achteruit. In mijn maag roert zich het ontbijt van vanochtend. Pannenkoeken, koffie met melk … denk aan iets anders, snel … vergeefs tracht ik de stank weg te slikken. De hond met zijn snuit vol bloed heft zijn hoofd en houdt me in de gaten. Het is een Senegalese hond zoals je ze hier overal ziet. Een Laobé. Vriendelijk en aanhankelijk, en als je hen een hapje voert, nemen ze het zo zacht en dankbaar aan dat je hen nóg een hapje voert en hoe dat alles te rijmen valt met het barbaarse tafereel dat ik hier voor me zie, weet ik niet. Was het lam al dood voor de hond er zijn tanden in zette? Heeft hij het doodgebeten, is hij daartoe in staat? En waarom loop ik hier flauw te doen. Zo gaat dat in de natuur. Loop door, blijf ademen.
Halverwege de tweede stap springt er vanuit de struiken iets groots voor mijn voeten. Ik verslik me in mijn speeksel en staar hoestend naar de jongen die voor me staat. Een opgeschoten kind. Zijn ogen zijn star op mij gericht. Van achter zijn rug haalt hij iets tevoorschijn. Klik, klikklikklikklik. Een smartphone. Wat krijgen we nu? Waarom neemt hij foto’s, van míj? Heen en weer springt hij, buigt, knielt, van links naar rechts over het pad beweegt hij en neemt mij en mijn groeiende verbazing vanuit alle hoeken, klikklikklikklik!

‘Stop!’ zeg ik en ik wil zijn telefoon pakken. Hij zet snel een stap achteruit en pas dan zie ik wat hij in zijn handen houdt. Geen smartphone, maar een stuk plaatijzer, uitgesneden in de vorm van een smartphone, met een gat waar de camera zit. Door het gat heen zie ik het blinken van zijn oog. Hij klikt met zijn tong. Lachen, gebaart hij.
Achter de jongen komt een ezel met kar aangereden, veel te snel. Zand stuift op.
‘Aan de kant!’ roep ik, maar hij heeft al lang gehoord wat er in zijn rug gebeurt. De koetsier houdt zich geen seconde in en vliegt ons voorbij, schreeuwend. Een groet? Hij heft zijn vuist naar de jongen, geen groet, en de jongen buigt zijn hoofd, de lach is weg, het spel is gedaan. Net nu ik het doorhad. Ik maak een V met mijn vingers, lach mijn tanden bloot, spring nog net niet in de lucht. Kijk dan, jongen! Ik poseer voor je. Hij kijkt, hij klikt, en wanneer hij weer vrolijk lacht, lach ik mee. Echt, oprecht.

Klikkend loopt de jongen achterwaarts voor me uit, en daar komt het dorp in zicht, het dorp van het nomadenvolk, zijn dorp.  
Leid je me rond? vraag ik met een gebaar, en dat doet hij, onvermoeibaar klikkend en springend toont hij me zijn woning, zijn dieren, zijn hele wereld, inclusief de souvenirs die hij verkoopt. Tien keer te duur, maar wat geeft het, deze jongen heeft flair.
‘Bedankt voor het beste bezoek ooit,’ zeg ik hem en wat hij antwoordt begrijp ik niet, maar we lachen op de selfie die hij maakt.