1
Traag laveert de schipper de prauw langs de uitgestrekte zandbank. Zijn hand rust op de gashendel van de buitenboordmotor. Nog een vijftiental meter voor we de welving voorbij zijn. Ik klem mijn vingers om de harde rand van het bankje. Tien meter … vijf …
Dan gaat de gashendel open. De motor loeit, de boeg richt zich op, de boot klieft door het water. Ik leun tegen de wind in. De opwinding juicht door me heen. Dit is de laatste, lange rechte lijn naar het eiland. Eindelijk!
Het maandenlange aftellen ligt achter me. Eindelijk is het weer aan ons, aan mij en David. Voor hem keer ik naar het eiland terug.
Zodra we vertragen en de boot zich weer plat op het wateroppervlak legt, strek ik mijn nek. Daar is het strandje met de aanlegsteiger. De mangroves die ik zeven maanden geleden mee in de grond stak, zijn flink opgeschoten.
Ik hef mijn hand als een klep tegen de zon. De plek oogt verlaten. De opwinding die me de afgelopen dagen, uren en minuten in het rond walste, zakt en maakt mijn lichaam zwaar. Waar is iedereen, waar is David?
Een zwarte stip komt snel dichterbij en wordt een vrouw. Aan haar trotse manier van lopen herken ik Espérance, Davids huishoudster. Ze zwaait.
Voor ik kan terugzwaaien keert de schipper de prauw om achterwaarts aan te meren. Ik klem mijn reistas in mijn armen. Ik ben er, hier, op het eiland waar David woont, bouwer van dammen en dijken tegen de verzilting van de rijstvelden aan de bolongs, de zeearmen van de Casamance in Senegal. Ik ben er, en alles komt goed, ook zonder warm welkom met tromgeroffel en gezang.
Een schok gaat door me heen wanneer de prauw tegen de steiger botst.
De motor valt uit. In de plotse stilte klotst en kabbelt het water.
‘Lea! Kassoumai! Welkom!’ De stem van Espérance schalt over de bolong.
Ik sta op wankele benen op.
De schipper werpt Espérance het aanmeertouw toe. Ze wikkelt het rond de meerpaal en draait intussen het verdere begroetingsritueel af. Hoe het met me gaat, en met de kinderen, en de kleinkinderen? Die ik net als zeven maanden geleden niet heb, en nooit zal hebben. Maar met mij gaat het goed, helemaal goed; en met haar en de haren gaat het ook goed, hoor ik. Heel goed.
De schipper is op de gammele planken van de steiger gesprongen en steekt zijn hand uit.
‘Geef me je tas,’ zegt hij. Hij kijkt op me neer, ze kijken allebei op me neer. Ik reik hem de tas aan.
‘Waar is David?’ Ik negeer de hand waarmee Espérance me aan land wil trekken en klim, stijf van de tocht op het houten bankje, de steiger op. Waarom antwoordt ze niet?
Al maandenlang wik en weeg ik mijn toekomst met David, doen twijfel en zekerheid haasje-over. De gedachte aan zijn open armen, aan mijn terugkeer die veelbelovend, zelfs beslissend, zou zijn, hield me al die tijd recht.
‘Dertigduizend,’ zegt de schipper zodra ik naast hem sta.
‘Twintig zal wel goed zijn’, zeg ik. De vorige keer was het vijftien. Terwijl ik de schipper betaal, hijst Espérance mijn tas op haar rug en begint te lopen. Met rondom mij het gefluit van de vogels en van de harmattan die onafgebroken waait, ga ik haar achterna.
Na een zweterig kwartier door het hete zand komen we aan in het dorp, een zonovergoten, uitgestorven verzameling grauwe lemen woningen die als dobbelstenen uit een reuzenhand zijn gevallen. Geen wegen, geen winkels, geen cafeetje of restaurant. Ik veeg de vochtige strengen haar uit mijn ogen.
Espérance loopt zonder omkijken door. Ik blijf staan. Lea, alleen op de wereld.
Puffend pluk ik mijn T-shirt van mijn rug en zoek steun tegen de mangoboom met het weelderige loof, de enige die aan deze kant van het eiland de kapwoede heeft overleefd. Vanaf mijn plekje in de schaduw overschouw ik het landschap dat zich uitstrekt tot aan het water. In de velden waar tot voor kort de rijsthalmen groeiden, grazen nu de koeien, vrijgelaten uit hun kralen nu de rijst is geoogst. Dankzij de dammen die David bouwde was de oogst overvloedig dit jaar.
‘Lea!’ klinkt het vanuit de verte. Ik kom weer in beweging.
2
Een haan kraait me wakker. Het ochtendlicht valt zacht door de horizontale latten van de louvredeur van Davids slaapkamer die uitgeeft op het terras van de bungalow.
Buiten klinken stemmen, maar binnen in huis is het stil.
‘Vrede zij met u,’ fluister ik. Waar dat ineens vandaan komt weet ik niet, maar ik omarm de rust die over me neer is gedaald op deze nieuwe dag, de dag van het weerzien.
De cadeaus uit België hadden Espérance gisterenavond toeschietelijker gemaakt en terwijl ik het espressoapparaatje uit de doos nam en haar toonde hoe het werkt, zei ze me dat David en de anderen naar een begrafenis van een stamoudste aan de andere kant van het eiland waren vertrokken. En dat David speciaal voor mij sneller terugkomt.
‘Na één dag al.’ Ze liet het klinken alsof hij een doodzonde begaat.
Ik sla het laken van me af en ga op mijn rug liggen. Straks lig ik hier met hem. Op mijn huid voel ik het tintelen van de verwachting, van alles wat ik zeven maanden heb gemist … Stop. Even aan iets anders denken nu. Ik richt mijn blik op het donkerbruine plafond van de slaapkamer. Het bestaat uit vierkanten van mangrovehout, afwisselend recht en diagonaal gezet, rustend op massiefhouten balken. Om het zilte water te beletten nog verder op te rukken en de rijstvelden te overstromen mag sinds enkele jaren het mangrovehout niet meer worden gekapt, al zeker niet om plafonds te maken. Dat heeft David me uitgelegd. Hij praat graag over zijn werk in de mangroves. Zijn liefde voor dit land is groot, het eiland is zijn thuis. Het wordt ook mijn thuis. Uit dit huis, uit dit bed wil ik nooit meer weggaan. Ik had niet moeten twijfelen.
Ik sluit mijn ogen, hoor in mijn hoofd het warme timbre van Davids stem die vertelt over zijn dammen en het gevecht met het water – zeearmen, zilt, zoutig. Op mijn huid ontwaakt de herinnering aan zijn vingertoppen wanneer hij me al pratend streelt. Ik rek me uit, neem zijn kussen in mijn armen en druk het tegen mijn buik. David. Als een lichtreclame flitst zijn naam aan en uit in mijn hoofd. Het tintelen houdt aan, dringt zich aan me op, tot onder het kussen mijn vingers de bedding van Davids oude sporen hervinden.
Loop ze in, slijt ze uit, dieper dan ooit dit keer, tegen alle vervagen in. Doe het maar, Lea, toe. Er is genoeg verlangen, voor nu en voor straks. Zoveel te veel. Ik laat mijn vingers gaan, over mijn buik naar beneden, langs de binnenkant van mijn dijen die zich openvouwen zoals ze zich straks zullen openvouwen voor hem, verlangend, gretig.
‘Lea, mon grand amour,’ fluister ik.
Dit is wie ik ben bij hem. Al strelend en wrijvend gaan mijn vingers binnen als de zijne, duwend, dieper duwend.
‘Ma douce,’ zeg ik met stokkende adem.
En dan golft alles wat wachtte en weer stroomt, samen, onstuitbaar. Ik voel de schreeuw voor hij er is. Espérance. Ze zal me horen. Maar er valt niet meer te kiezen. De schok perst de lucht uit mijn longen.
Hijgend lig ik op het bed. Ik kuch, in een stuntelige poging tot camouflage, en meteen daarna borrelt de lach op, en schaamteloos de gedachte: ik ben er weer, thuis, aangespoeld op het strand van dit eiland, de lange maanden van rusteloosheid voorbij.
3
Als vanouds zweef ik die avond lichtelijk beneveld tussen Davids koele lakens. Even voor het avondeten kwam hij aan. Moe en bezweet, wat zwijgzamer dan anders, maar blij me te zien. Dat denk ik toch.
Uit alle macht probeer ik de twijfel die weer opduikt op afstand te houden en concentreer me op het geluid van het stromende water, van de douche die we zo vaak samen namen, maar niet vanavond. David wil het stof van de tocht van zich af wassen voor hij bij me komt.
‘Daar ben je weer, mijn liefje, mijn Lea.’
Ik moet even ingedommeld zijn en schrik op wanneer hij naast me in bed schuift. Zijn stem klinkt laag en zelfverzekerd in mijn oor.
‘Ik heb je zo gemist.’ Ik wilde het niet zeggen, ik had me zo voorgenomen het niet te zeggen.
Hij legt een vinger op mijn lippen en begint me te strelen. Op en neer gaan zijn handen over mijn huid, van mijn enkel tot mijn borst en terug, precies zoals ik het me vanochtend heb ingebeeld. Altijd hebben ze al wandelend alle afstanden gedicht, maar nu blijft het malen in mijn hoofd.
Aan tafel heeft hij, zoals gewoonlijk, verteld over de bouw van de dammen, over de rijstoogst en over alles wat er op het eiland wel of niet is gebeurd. Niet één keer heeft hij gevraagd hoe het was in België, alsof het afgelopen halfjaar niet plaatsgevonden heeft, alsof er voor hem geen gemis, geen vragen of beslissingen zijn geweest.
Het komt door Espérance dat hij er niet over begint, dacht ik. Geen seconde liet ze ons alleen. Ze diende op, ruimde af en zette koffie met het nieuwe espressoapparaat.
Nu we hier samen liggen en niets of niemand ons het praten belet, blijft David me zwijgend en gefocust strelen.
Pikken we dan de draad gewoon weer op, zonder meer?
Ik ga verliggen, schuif wat bij hem vandaan. Zijn handen volgen me. Geef je over, zegt mijn hoofd tegen mijn lichaam, maar de magie blijft uit.
‘David,’ zeg ik.
Hij drukt een droge kus op mijn lippen en gaat door met strelen.
Misschien had ik me vanochtend toch beter ingehouden. Of misschien was het de Ti’punch met een extra geut rum van daarnet. Ik had het bij eentje moeten houden.
‘Was het een belangrijke dode die begraven werd, David?’ Ik rol me op mijn zij, bij de handen vandaan, en ga half rechtop op de rand van de matras liggen, steunend op mijn elleboog.
David heeft de naam van de dode aan tafel al genoemd, maar herhaalt hem welwillend.
‘Een stamoudste, Lea. Je weet hoe het dan gaat, het ceremonieel…’
Het ceremonieel en hoe het dan gaat interesseren me niet. Ik wil belangrijker zijn. Het belangrijkst. Een arrogante gedachte voor wie hier wil leven, dat besef ik.
‘Lea, mon grand amour,’ hoor ik David zeggen. Zijn adem strijkt over mijn gezicht. Hij kust mijn oogleden, streelt de arm waarop mijn lichaam steunt en ik laat toe dat hij hem onderuithaalt en me teder neerlegt.
Het strelen stopt en plots beweegt de matras. David stapt uit het bed.
Ik draai mijn hoofd en kijk naar hem, naakt en onbevangen vooroverbuigend, met zijn hoofd half in de kast. Een vrije vogel, een lange witte steltloper.
Uit de kast haalt hij een kistje tevoorschijn. Hout, met parelmoer ingelegd. Mijn vader had er precies zo eentje, maar kleiner. Meegebracht uit Thailand. Ik herinner me de souvenirshop waar hij het kocht, ik herinner me ook zijn gevoel bekocht te zijn toen hij hetzelfde kistje elders voor de helft van de prijs ontdekte.
Met het kistje in zijn handen loopt David naar me toe. ‘Ga even rechtop zitten, mijn liefste,’ zegt hij. Minzaam en onverstoorbaar, zoals altijd.
Ik doe wat hij me vraagt, ik werk me recht en leun tegen de kussens. Zacht schuift David mijn benen uiteen en gaat er geknield tussen zitten. Een voor een kust hij mijn vingers en bij de gedachte dat in het kistje een ring op me wacht, gaat mijn hart hevig tekeer.
Het is een ketting, opgerold op het rode velours als een slang in haar mand. Een slang van hout, rosbruin, geurig prikkelend hout.
Als je ze vasthoudt bij de staart, kun je de kop en het lijf vervaarlijk laten kronkelen. Met het beeld van de slingerende plastic slang uit mijn kindertijd verdring ik alle ongewenste gedachten en buig mijn hoofd, waardoor mijn haar als een gordijn tussen ons in valt.
De ketting wordt om mijn hals gehangen en zoekt zich een weg tussen mijn borsten die worden gestreeld, eerst de ene, daarna de andere.
‘We mogen niemand benadelen,’ lacht David, en ik weet dat ik nu mee moet lachen, maar het lukt me niet, net niet, want de twee vingers waarmee ik mijn neusvleugels dicht wil duwen, komen te laat. De geur van het hout, zo dichtbij op mijn huid, is te sterk en de hartstochtelijke nies laat zich niet meer bedwingen.
4
Naast me klinkt Davids rustig puffende ademhaling. Ik buig me dichter naar hem toe en laat zijn adem over mijn huid strijken. Nadat ik gisterenavond de ontnuchtering uit mijn lijf had geniesd, hebben we toch nog gevreeën. En vannacht opnieuw. Het voelde bijna als vanouds.
Het vooruitzicht om dadelijk samen met hem buiten op het terras te kunnen ontbijten en aan de dag te beginnen, lokt me uit bed.
In de keuken betast ik het fruit dat in de mand onder het aanrecht rijpt en kies een papaja, twee zoete banaantjes, vier dikke mandarijnen om te persen en een limoen om over de papaja uit te knijpen. Wanneer ik een mes uit de lade neem om het fruit te snijden, merk ik dat er iets geklemd zit tussen de lade en de achterwand. Een opengevouwen schriftje. Ik trek het er voorzichtig tussenuit. Ik herken het huishoudschriftje van Espérance. Wanneer ik het aan de kant wil schuiven, valt mijn blik op de naam onderaan de pagina die openligt. Mijn naam, met de datum van gisteren erbij. Naam en datum netjes in twee kolommen gerangschikt. In de derde kolom staat een beschrijving van het cadeau, het espressoapparaat dat ik meebracht. Met daarboven een opsomming van apparaten die nooit in mijn reistas zouden hebben gepast: een pannenset en een printer, nieuwe aanwinsten sinds vorige week. Geschonken door Céline.
Ik klem het mes vaster in mijn hand wanneer het tot me doordringt wat er staat, wat het betekent. Met trillende vingers blader ik door het schriftje en lees de namen van de vrouwen, Marianne, Georgette, Cathérine, en de beschrijvingen van de cadeaus die ze meebrachten, de sommen die ze schonken. Marianne is het rijkst en komt het vaakst op bezoek, bijna maandelijks de afgelopen twee jaar.
‘Lea?’ Davids stem jaagt een schok door mijn lijf. Hij is wakker. Ik hoor zijn voetstappen in de gang. Dadelijk staat hij in de keuken. In een reflex draai ik me om en vlucht het huis uit.
De wind op mijn huid, de geuren van het water, de kleuren van de bougainvillea en de hond die blaffend met me mee rent, een laobé, een hond die over het vee waakt – alles is zoals het hoort, niets is zoals het hoort.
Ook de mensen zijn terug. Kassoumai, goeiemorgen! Een vrouw in een gebloemde gele jurk groet me en wijst naar me. Ik stuif haar voorbij. Een man in een kleurrijke boubou groet me en wijst naar me. Naar wat? Naar het mes in mijn hand? Ik snel hen voorbij en groet niet terug, ik hoor niet bij deze ochtend, bij dit leven.
‘Leeeaaaa!’ Een langgerekte schreeuw klinkt op achter mij en ik ga nog harder lopen. Mijn voeten vinden het pad dat me wegvoert van hier, naar de andere kant van het eiland. Bij elke pas die ik zet, brandt de woede heviger. Ze houdt het verdriet op afstand en zolang ik ze voed, jaagt ze mij vooruit.
Met een verbeten trap schop ik een steen van het pad. Jarenlang leefde de vrouw in mij onder zo’n steen. Een steen die David heeft opgetild.
Ach kijk, moet hij hebben gedacht, daar ligt iets wat de moeite waard is. Een Lea, een liefje. Een grand amour.
De woorden slaan de vaart uit mijn lijf. Hijgend kijk ik om me heen. Het landschap is leeg, op een paar koeien na. Niets om me achter of onder te verschuilen.
‘Lea, eindelijk!’
Stokstijf blijf ik staan.
‘Wat bezielt je, waarom ren je weg?’
Langzaam draai ik me om. Daar staat David, hijgend met zijn handen in zijn zij. De wind rukt aan de broek die flappert om zijn benen. Zijn hoofd staat in een knik vooruitgestrekt op zijn nek die uit de kraag van zijn hemd tevoorschijn komt, als een vogelkop uit het verenkleed. Wat is hij mager. De tranen springen in mijn ogen.
‘Kwamen die andere vrouwen voor je rijstvelden en je dammen of voor jou? Wilden ze met hun eigen ogen zien hoe het hier is? Wilden ze weten of jij in het echt zo boeiend bent als online?’
‘Lea …’
Voor een keer weet hij niet wat gezegd. Met grote ogen kijkt hij naar het mes in mijn hand.
Op verlies ben ik voorbereid. Als David onverwacht op dit eiland zou sterven zonder mij, wist ik hoe het zou gaan. De afgelopen maanden had ik het me vaak genoeg voorgesteld. Ik had mijn geest geoefend in aanvaarding, in sterk en rechtop blijven voor als het zover was. Wie liefheeft, moet langzaam leren verliezen.
Ergens vlakbij kraait een haan.
Het gevoel van verlies dat me nu treft, heb ik niet voorzien. Het is een dreun die me onderuithaalt.
Mon grand amour. De belangrijkste titel die me ooit, een toekomst geleden, te beurt viel, is niets waard.
Ik draai me om en volg het pad tot het doodloopt in het bos met de kapokbomen. Aan het knisperen van de bladeren onder zijn voeten hoor ik dat David me achterna is gekomen.
Bij een hoop vers omgewoelde aarde blijf ik staan. In de aarde zit een boompje met kale takken, diep in de losse grond geduwd.
‘Het graf van de stamoudste,’ hoor ik David zeggen en ik draai me weer naar hem om. Hij is op een afstandje blijven staan, alsof ook hij in mij iets ziet dat hij niet eerder zag. Met hese stem legt hij uit dat de dode hier begraven ligt, gewikkeld in een lijkwade. Het boompje dat op het graf is geplant, is de boom van de wedergeboorte die zich zal voeden met het lichaam.
‘Zo kan de dode verder leven in de boom en hebben zijn geliefden een plek waar ze met hem kunnen komen praten.’
‘Dat is mooi,’ zeg ik.
‘Lea, laat me het uitleggen, laat me het goedmaken.’ David lijkt opgelucht dat ik praat, dat ik weer normaal klink. Hij loopt naar me toe. Wanneer hij bijna bij me is, blijft hij staan. Mijn rattenvanger van Hamelen.
Hij opent zijn armen.
‘Lea, alsjeblieft.’ Die stem, die blik.
Voor de allerlaatste keer stap ik in zijn omhelzing en voel hoe hij me een fractie van een seconde te laat tegen zich aan drukt, als was hij oprecht verbaasd mijn lichaam nog te mogen ontvangen.
Zonder te bewegen laat ik me vasthouden. Mijn armen hangen werkeloos langs mijn zij, met in mijn zwetende hand nog altijd het mes.
Wat als … denk ik, wat als ik dan toch hier kom wonen, hier op het eiland, precies zoals ik het me lange tijd heb voorgesteld. Wat als ik dan elke dag naar het graf van mijn geliefde zou lopen om via het boompje van de wedergeboorte bij hem te zijn, met hem te praten, hem en ons verder te laten leven?
Ik klem mijn vingers vaster om het mes terwijl David praat en praat, zijn woorden overstemd door de vraag die klinkt als een vloek in mijn hoofd: Wat als, wat als, wat als?
Dan voel ik iets nats tegen mijn vingers. De laobé die met me mee is gerend, duwt zijn snuit tegen de hand waarin het mes zit. Hij blaft, springt ongeduldig tegen me op en plots is de vloek verbroken. Het mes valt op de grond. Ik duw Davids armen weg en zet een stap achteruit.
Met mijn T-shirt veeg ik mijn behuilde gezicht schoon.
De hond heeft gelijk, het is tijd om te gaan.

